Fragment: Nieuw leven

Het is zulk mooi weer buiten dat het pijn doet aan mijn ogen. De eerste mooie lentedag, strak blauwe lucht, groene blaadjes, knalroze bloesem. Alles popt open, alles staat in bloei. Ik ruik lammetjes en gras en voel het begin van nieuw leven.

We staan in de lift naar de parkeergarage van het ziekenhuis waar we net hebben gehoord dat onze baby overleden is. We hebben een glaasje water gekregen van de dokter. Nu moeten we geld wisselen voor de parkeerautomaat. Ik vraag mij af waarom er geen speciale chauffeur in het ziekenhuis is die mensen naar huis brengt nadat ze vreselijk nieuws hebben gekregen? Of waarom anders geen gratis uitrijkaart? Een soort verlaat de gevangenis zonder betalen? Daar zouden regels voor moeten zijn. Bij nieuws van gradatie 6 of erger een gratis uitrijkaart.

In de lift stonden lieve oude mensen, een man en een vrouw. De man lacht veelbetekenend naar het lege babymandje dat ik draag. Hij knikt samenzweerderig. Ik raad zijn gedachte, 'Wat goed, een jong stel met een baby op komst'. Ik lach terug naar deze lieve oude man, ik wil zijn dag niet ook nog verpesten.

We sprokkelen al ons losgeld bij elkaar en kopen een uitrijkaart bij de automaat. We rijden de slagboom onderdoor, op weg naar een heel nieuw leven.